Category Archives: 078 – De Verdwenen Jantjes

Het Pad van de Pelgrims – De Verdwenen Jantjes

Vooralsnog verdwijnt ‘De  verdwijning van het universum’ bij TV naar een plek op de boekenplank. De vraagbaak hoeft op dit moment op het pelgrimspad niets na te slaan en ook zonder ballon zit de vaart erin. Sterker nog, zij die van 9-9 is kan vandaag de feestballon oplaten voor JJ die 66 wordt.

ze geeft hem mee aan de wind

met windkracht elf

 ≈

lichtheid brengt hem

hoger en hoger

≈ 

een dansend stipje

kleiner en kleiner

in de blauwe lucht

viert de ruimte

 ≈

liefde is de ruimte

alles wat daarin beweegt

wordt liefdevol gedragen

tilt het naar een hoger plan

≈ 

vier je geboortedag

dans in de ruimte

de dans zonder danser

 ≈

By the way, by the pelgrims-way, Jan Jerfaas, als jij bij je geboorte nu alleen maar de naam Jan had gekregen, hoe zou je dan alles verwoorden als de naam Jerfaas er niet aan gegeven kan worden?

Dan had ik me Paulus genoemd en was ik als kabouter in het bos bij het Elfje gaan wonen.

Terwijl het elfje onbedaarlijk in de lach schiet bij dit antwoord, schiet tegelijkertijd vanuit de diepte van haar wezen het antwoord omhoog: Ja! Het elfje buigt zich voorover om in het beekje te kijken. Ze ziet zichzelf weerspiegeld in het beekje. TV99 en JJ66. Ze spiegelen elkaar. En Paulus…daar zal het elfje binnenkort wel meer van horen. Op deze geboortedag staat Jan Jerfaas in het middelpunt. En het sprookje dat hij beleeft, zorgt aan het einde van de pelgrimse dagreis voor een betoverende avond. Terwijl de tijd vervloeit tot geen tijd, vloeit in de tussentijd bij het beekje de inspiratie rijkelijk. En de pelgrims dompelen zich sprookjesachtig onder in Het Geheim van de Verdwenen Jantjes.

Er was eens, heel lang geleden, een jongetje dat eigenlijk een sprookje was, maar dat wist hij zelf niet. Hij dacht dat hij Jan heette, maar dat had hij niet zelf bedacht. Toen hij klein was, hadden zijn vader en moeder en zijn broers en zussen hem zo genoemd. Dus hij dacht dat hij die Jan was.

Toen het jongetje wat ouder werd, vertelde men hem dat hij nog een naam had, namelijk Jerfaas. Zo heette hij dus ook. Hij begreep er niets meer van. Was hij nu Jan of was hij Jerfaas? Of was hij Jan Jerfaas? Toen hij nog wat ouder werd en meer meegemaakt had, merkte hij dat er iets veranderde in hem. Hé, hoe kon dat? Veranderde Jan? Maar wie merkte dan dat Jan veranderde? Wacht eens eventjes, dat is natuurlijk Jerfaas, die ziet dat allemaal!

Zo ging het jongetje, dat nu een mannetje geworden was, zich geleidelijk aan meer Jerfaas voelen, die naar een sprookje keek. Eerst leek het of in dat sprookje die Jan, waarvan hij vroeger dacht dat hij dat zelf was, allerlei avonturen beleefde. Maar toen Jerfaas wat beter ging kijken, zag hij dat die Jan zich op heel verschillende manieren gedroeg. Soms was hij gierig en daarna kon hij weer alles missen. Soms zei hij gemene dingen en even later was hij weer heel lief. En zo zag hij nog veel meer verschillend en tegengesteld gedrag. Hoe kon dat nu?

Op een dag was het mannetje, dat zich steeds vaker Jan Jerfaas ging noemen omdat hij niet wist wie hij nu eigenlijk was, aan het wandelen, toen hij ineens ‘zag’ wat er aan de hand was met hem. Hij zag dat er een heleboel jantjes waren. Het was een complete toneelvoorstelling in zijn hoofd, ze deden allemaal net of ze dezelfde Jan waren, maar dat was niet zo.

Jerfaas zag het heel duidelijk; Jan is een sprookjesfiguur en bestaat uit een heleboel van die jantjes. Hij was erin getrapt, had het allemaal geloofd, maar dat zou niet meer gebeuren. Maar daarmee was hij ze nog niet kwijt, ze bleven steeds terugkomen en jengelen. Oei, nu was er een nieuw probleem, hoe kwam hij van ze  af?

Op een dag in mei liep hij door de tuin en zag dat de Lelietjes van Dalen volop in bloei stonden. Vol bewondering keek hij naar die prachtige bloemetjes en snoof hun etherische geuren op. Maar wat zag hij daar? Tussen de bloemetjes zat een heel mooi Elfje. Ze zat druk met een veertje in een schriftje te schrijven. Ineens keek ze op en zei: ‘Waarom staan jullie zo naar mij te kijken?’

Jerfaas zag dat één van de jantjes als het ware naar voren sprong. Het was jantje-aardig en die zei tegen het Elfje: ‘Omdat we nog nooit zo’n mooi wezentje hebben gezien, en dan ook nog met zulke prachtige vleugeltjes’.

Maar onmiddellijk was jantje-denk er ook bij en die zei: ‘Wat bedoel je met jullie? Want ik ben Jan en sta hier alleen.’

Jerfaas keek naar het schouwspel. Hij wist nu dat hij de jantjes wel kon zien, maar dat zij hem niet konden zien. Maar het Elfje kon de jantjes dus ook zien. Nu vroeg hij zich af of ze hem ook kon zien. Hij wachtte even totdat alle jantjes rustig werden, want alleen dan kon hij andere wezens bereiken, en vroeg: ‘Lief Elfje, jij ziet kennelijk een heleboel jantjes, maar kun jij mij ook zien? Ik ben Jerfaas.’

Hij hield zijn adem in, twee wijze oogjes als uit een andere dimensie keken hem aan. Haar mondje, gevormd als een bloemkelkje, opende zich en ze sprak: ‘Natuurlijk Jerfaas, ik zie jou en ook al die jantjes. En ik zie nog veel meer, bijvoorbeeld dat je in een ander sprookje terecht zult komen als een beekje, want dat is eigenlijk je derde naam. Maar voor het zover kan komen zul je eerst het sprookje van die jantjes moeten verlaten, en ik ga je daarbij helpen. Die jantjes belemmeren je vooruitgang. Let nu maar eens even op!’

Het Elfje stak haar hand tussen de bloempjes naast haar en pakte een toverstokje. ‘Kijk’, zei ze, ‘dit is een dromenmepper. Hiermee kan ik dromen veranderen of laten verdwijnen. In dit geval zal het stap voor stap moeten gebeuren en zelf zul je ook wat moeten doen.’ Jerfaas zag dat ze nu naar de jantjes zat te kijken, vooral naar die ene jantje-rarehumor die vaak zo doodserieus zit te kijken. Plotseling zwaaide ze met haar dromenmeppertje, wees ermee naar het jantje en sprak: 

acht negen tien

wie niet weg is

wordt gezien

En plof, alsof er een zeepbelletje uiteen spatte, was het jantje plotseling verdwenen. ‘Zo’, zei het Elfje voldaan, ‘die zien we nooit meer terug en ik zal er nog een paar weghalen’. En op dezelfde manier verdwenen er nog een paar. ‘Maar….’, zei ze nu, ‘ook jij zult er een paar moeten uitschakelen.’

‘Uhh’, zei Jerfaas bedremmeld, ‘hoe doe ik dat? Ik ben toch geen Elfje?’ ‘Nee’, zei ze gedecideerd, ‘en dat zul je nooit worden, maar als je een echt beekje wilt worden en met mij een mooiere reis wilt maken dan in welk sprookje ook kan voorkomen, dan zul je die jantjes moeten laten verdwijnen. En dat doe je als volgt: Eerst maak je met beide handen een V-teken, dat heeft verschillende betekenissen, maar in dit geval is dat het ‘Vrolijke Vissertje”, dat is mijn alias, mijn bijnaam en daar gaat veel kracht van uit. Daarna concentreer je je op een jantje en zeg je met overtuiging: 

iene miene mutte

tien pond grutte

tien pond kaas

Jerfaas is de baas

‘Ga daar voorlopig mee aan de slag. We hebben hier op deze plek een begin gemaakt met de zuivering van je sprookje, de volgende keer zal dat op een andere plaats zijn. Bij het boshutje, te midden van het groen bij de zuivere bron. Hoe je daar komt, heb ik je al laten weten. En ook Paulus zal bericht krijgen hoe hij via de Elfenroute daar kan komen.

En voordat Jerfaas met zijn ogen kon knipperen was het Elfje verdwenen. Verward wreef het mannetje Jan Jerfaas over zijn bolletje. Was het een droom? Droomde hij dat hij droomde of was hij even in een sprookje beland en er weer uitgekomen? Hopelijk duikt het Elfje weer op en helpt hem uit de droom of stopt hem in een sprookje.

wordt vervolgd…tot NU…

Posted in 078 - De Verdwenen Jantjes | Leave a comment