Category Archives: 171 – Alle treden van de trap

Het Pad van de Pelgrims – Alle treden van de trap

Veluwe augustus 2013 004Het donker van de grot maakt dat dag en nacht geen rol meer spelen en in elkaar opgaan. De grotkabouter weet niet of hij nu een nachtwake of een dagwake houdt, maar al mijmerend over het uitstapje van de andere pelgrim, waarin voor haar geestesoog een grot en steile trappen verschenen, bezint hij zich met voortschrijdend pelgrimsinzicht op ‘alle treden van de trap zijn onmisbaar’. Een aflevering van het ‘sprookje’ van de pelgrims welt in hem op.

Daar gaan zij, de twee pelgrims, langs het soms smalle pad omhoog. Waar het moeilijk begaanbaar is, gaan zij hand in hand. Soms overleggen zij hoe verder te gaan en staan zij even oog in oog, om dan weer verder te gaan, schouder aan schouder of arm in arm. Af en toe komt er weer een versmalling in het pad en gaan zij even niet zij aan zij. Of het pad is stoffig, hun zicht wordt wat belemmerd, en gaan zij voetje voor voetje. Maar altijd gaan zij verder, stap voor stap, dat is het pad van iedere pelgrim altijd al geweest.

Velen gingen die twee voor, zij kwamen van overal, uit alle tijden en van alle plaatsen. Zij aanbaden vele Goden en volgden Jezus, Boeddha en Mohammed. En dat gebeurde in kerken, tempels en moskeeën. Gaandeweg leerden zij dat het pad eigenlijk in zichzelf gegaan wordt, wat zij buiten zich zien is binnen in hen. Door de tijd heen zijn ook velen uit lees- en studiegroepen van de Cursus gekomen. Sommigen waren daar een zogenaamde leraar of juist niet, maar ze steunden elkaar om de woorden van Jezus te verstaan. En gezien hun geringe bewustzijn was het ego er altijd wel bij.

Die woorden van Jezus in de Cursus zijn niet altijd te begrijpen, en soms heel moeilijk, wanneer de diepste kern van hun toestand wordt uitgelegd. Over de onbewuste schuld, heel diep verborgen, maar de Werkelijke oorzaak van het ‘menszijn’ en van het hele universum. Deze schuld die dus deze hele wereld met al die ‘anderen’, al die narigheid en al die verschillen, ook tussen de pelgrims onderling, veroorzaakt, zal verdwijnen wanneer die gelegd wordt op het Altaar van vergeving, door Jezus himself geplaatst aan het einde van het pad. Iedere mening over een broeder is zelfbespiegeling, ze worden gezien en worden vergeven. Bij het Altaar zijn de meningen uitverkocht, het oordeel-magazijn is leeg en ze worden niet meer aangevoerd.

Zo gaan de twee pelgrims verder en verder, hun blik gericht naar omhoog, waar louter Liefde en Vrede heerst. Waar de Ene Werkelijkheid is. Soms blikken ze even achterom, naar het dal van illusie vanwaar zij kwamen. Daar waar broeders zijn in kerken en cursusgroepen, net als zij destijds. Ook zij worden gedreven door iets in henzelf om de eerste stappen te zetten en in des pelgrims voetsporen te treden, gelijk zij op hun beurt weer deden in die van anderen. Allen op weg naar de Poort in Zichzelf. Er is maar één pelgrim en er is maar één weg. Er is alleen Liefde, er is niemand anders en al het andere is illusie.

Wanneer dromen voorbij zijn, de tijd de deur gesloten heeft achter alle dingen die voorbijgaan en wonderen doelloos zijn geworden, zal de heilige Zoon van God geen reizen meer maken. Er zal geen wens meer bestaan om liever illusie dan de waarheid te zijn. En hierheen gaan we voort, wanneer we vorderen langs de weg die de waarheid ons wijst. Dit is onze laatste reis die wij voor iedereen maken. We mogen de weg niet kwijtraken. Want zoals de waarheid ons voorgaat, zo gaat ze onze broeders die ons volgen voor.(W.d1.155.11:1-6)

Ter bezinning dansen nog meer blauwe letters als een teken aan de wand voor de ogen van hij, alias Paulus Jan, die tijdelijk in de grot verkeert.

God is in alles wat ik zie.

Achter elk beeld dat ik heb gevormd, blijft de waarheid onveranderd. Achter elke sluier die ik neergelaten heb over het gelaat van de liefde, blijft het licht daarvan ongetemperd. Achter al mijn waanzinnige wensen ligt mijn wil, verenigd met de Wil van mijn Vader. God is nog altijd en voorgoed overal en in alles. En wij die deel zijn van Hem, zullen uiteindelijk voorbijzien aan alle verschijningsvormen en de waarheid herkennen achter elk.(W.d1.h1.56.4:1-6) 

Inderdaad zijn het geweldige teksten in de CIW waarmee de pelgrims zich dagelijks voeden. Enerzijds symbolisch en dus sprookjesachtig, anderzijds zijn ze wonder.baarlijk want ze keren de zogenaamde werkelijkheid om naar illusie en omgekeerd. Ze plaatsen bij iedere pelgrim een bril op de neus, en niet zomaar een bril met dubbelfocus of varilux of wat dan ook. Nee, dit is een bril met lenzen die zichzelf steeds bijstellen, een soort zoomlenzen die reageren op Liefde en Vrede, de pelgrims-hartstochten waar zij naar hunkeren, hongeren en haasten. Bovendien zijn die lenzen zowel naar buiten als naar binnen gericht, ze zien buiten wat ze binnen zien en omgekeerd. Dat is het Wonder.

Het is alsof het advies van de Keuzemaker (154-Het Vredespaleis) binnenkomt om alleen te blijven kijken naar wat gebeurt en wel met een bril van Liefde. Dat lijkt het enige wat zogenaamd ‘te doen’ is, wel of niet kiezen voor Liefde.

Voor het geestesoog van Paulus Jan verschijnen aan de wand van de grot de omgekeerde bloembakken die de andere pelgrim ooit te zien kreeg.(117-Op-z’n-kop waarneming)

Een beeld om je bewust te maken dat het slechts projectie is en dat daarin de keus ligt. Door te zien dat het om projectie gaat, word je bewust gemaakt van de keus die je hebt. Zoals eerder genoemd: kijk ik vanuit liefde of kijk ik vanuit angst? Deze omslag in waarnemeing kan in een flits gebeuren.

Ook al is het donker in de grot, de duistere schaduwzijde van het bestaan tekent zich scherp af op de grotwanden, in de vorm van projecties en beeldvorming van het aardse materiële leven. Ze trekken zijn aandacht, maar hij realiseert zich dat zij niet de absolute werkelijkheid zijn. Hij waakt ervoor de vergissing te begaan om zich daarmee te identificeren. Hij gaat eraan voorbij. Voorwaarts en lichtwaarts. Zichzelf openstellend voor een wijsheid die groter is dan hemzelf.

Omdat de CIW ook een pelgrimsweg is, leidt de Cursus naar het Licht, de verlichting waar ieder-EEN naar snakt. De lessen fungeren daarbij als wegwijzers. Het laatste deel van het werkboek gaat over het naderen van de einde van het pad, het ontmoeten van het Licht en het verdwijnen daarin.

Voor de ene pelgrim is het een mirakel dat de andere pelgrim in de bijna af-gelopen tijd de schoonheid en diepe betekenis van de Routeplanner uit Nazareth zo heeft leren verstaan en waarderen. Hij prijst zich zeer gelukkig met deze metgezel die zowel Elf als Engel voor hem is en die hij ooit de titel ‘Elfel’ heeft gegeven.

Zeker zullen zij elkaar in dit leven zonder woorden leren verstaan, want de woorden zijn slechts hulpmiddelen voor onbewusten die de Stilte nog niet horen. Want de Stilte zal steeds meer gaan spreken. Nu nog in elfentaal, dan in elfeltaal, maar daarna in onuitgesproken engelentaal. De taal van Eenheid, de taal die zich nooit tot een ander richt, maar altijd tot zichZelf. Het is een Wonder boven Wonder, in het sprookjesbos zegt men: ‘Beregoed’.

wordt vervolgd…tot NU…

Posted in 171 - Alle treden van de trap | Leave a comment