Category Archives: 170 – Tekenen aan de wand

Het Pad van de Pelgrims – Tekenen aan de wand

De postduif vliegt onvermoeid heen en weer. Ditmaal met een gerust bericht dat bij Paulus de rust in de ‘bovenkamer’ is weergekeerd en dat hij zonder draaiend hoofd zijn draai weer heeft gevonden. Als Paulus nog even een schrede achterwaarts doet naar de boodschap vol wijsheid die hij kreeg, waarin als een boemerang zijn eigen woorden weerkaatsten, dan kan gezegd worden:

Het is inderdaad een leerzame les en er kwamen ook inderdaad tijdens de piek des onbehagens bepaalde gedachten voorbij die als het ware vroegen: En hoe staat de identificatie met het lichaam er nu bij? En let eens op wat voor gedachten er verder nog komen? Laat het kaboutertje zichzelf hier antwoord geven: Het ging redelijk, maar er is nog geen goddelijke gelijkmoedigheid. Het leerproces is nog gaande, maar Jerfaas is er altijd bij, en de jantjes lijken inderdaad kleiner te worden en weer terug te vallen in de rol van de kinderjaren.

Voor de rest taal nog teken van de ene pelgrim. Heeft hij tijdens de pelgrimsreis de pauzeknop ingedrukt? Zit hij nog steeds in zijn bovenkamer? Wat tekent zich nog meer af in het genoemde leerproces? Het elfje wacht voor onbepaalde tijd aan de oever van de vriend-elijke beek of er iets langsdrijft of overdrijft. Na enige tijd krijgt ze gezelschap van degene die door Paulus wel Kees Koer.ierDuif genoemd wordt en wordt haar een inkijkje overgebriefd.

Ik heb zojuist nog met mijn snaveltje op het raam van het bovenkamertje in de paddenstoel getikt om te vragen of er een berichtje weg te brengen is, maar Paulus en zijn alter-ego JJ reageren niet. Daarom breng ik zelf maar even een briefje, lief Elfje.

Die Paulus zit bijna alleen maar in zijn bovenkamer en wat hij precies doet, kan ik niet zien. Terwijl ik voor het raam zat, zag ik dat de gordijnen gesloten waren, maar door een plotselinge lichtstraal kon ik door een kier naar binnen kijken en zag ik hem. Hij stond bij de muur waar een groot stuk papier hing waarop hij dingen tekende. Je zou kunnen zeggen… ‘tekenen aan de wand’.

Ik zag een voorstelling van een deel van het pelgrimspad. Het liep langs een bergwand en een deel van het smalle pad was weggezakt zodat hij daar niet verder kon. Er was nog een mogelijkheid om verder te komen en dat was ook de Enige mogelijkheid. Ietsje voor de plek waar het pad verdwenen was, bevindt zich een grot met een kleine opening. Dat is de toegang tot een heel stelsel van grotten die een soort tunnel vormen. De uitgang is een stuk verder op het pelgrimspad, daar waar het weer begaanbaar is en ook nog eens heel gemakkelijk te gaan is, want er zijn vrijwel geen obstakels meer.

Als ik het nu goed gezien heb, Elfje, dan is hij de grot binnengegaan. Het is daar heel erg stil en er is niemand anders, er is er maar één. Ook dient hij diep te buigen, zich heel klein te maken, anders blijft hij steken. Hij hoort niemand anders, alleen zijn eigen voetstappen en zijn eigen ademhaling, alleen zichzelf. Alleen zijn gedachten vergezellen hem, ze zijn nu duidelijker te zien omdat er verder niets te zien is. De ogen zien niets in het duister, niets om goed te keuren en niets om af te keuren, voor de oren geldt hetzelfde. Hij is alleen met zichzelf. Hij is, en verder is er alleen stilte.

De rotswanden zwijgen, hoewel ze soms een echo geven van de voetstappen van de ene pelgrim. Dat geeft de illusie van een andere plaats en tijd waar iemand loopt. Maar er is geen ander. Het klinkt vervormd, het is niet echt. Maar hij weet dat de tunnel een einde heeft, dat ergens het licht zich zal manifesteren.

Het lijkt erop dat hij nog wel even bezig is daar in de stilte, vermoedelijk moet hij zich de stilte zo eigen maken dat hij die ook blijft horen wanneer hij het pad buiten weer betreedt. Opdat hij niet alleen deze grot, maar ook die van Plato, voorgoed mag verlaten.

Ja, als ik het goed gehoord heb, meende ik hem te horen mompelen over de grot van Plato. Dat is een bekende metafoor. Plato beschrijft mensen die in een grot zitten. Ze zitten vastgeketend op hun plek en kunnen alleen maar kijken naar de achterwand van de grot, waar ze schimmen zien bewegen. Ze zijn van mening dat die schimmen de echte wereld zijn. Maar één persoon ontdekt dat de schimmen op de wand ontstaan doordat er licht schijnt op figuren die vóór de opening van de grot in de zon langslopen en zo hun schaduwen werpen. Deze persoon wijst dat daarbuiten de echte wereld is. Maar niemend wil hem geloven. Iedereen blijft kijken naar wat hij al jaren gewend is. Deze metafoor beschrijft de menselijke situatie: we dromen en weigeren te ontwaken. Dit leven is een droom, een afschaduwing van het echte leven.

Hij hoopt dus de grot van Plato te verlaten. En dat hij honderd procent verantwoordelijkheid kan nemen voor alles wat in de gewone wereld lijkt te gebeuren. Zodat alles, maar dan ook alles wat hem ook maar in het minst beroert, door de uitlatingen, toestand of wat voor hoedanigheid dan ook en van wie dan ook, louter en alleen in hemzelf zijn oorsprong vindt.

Daarom loopt hij nu in het duister, om eerst alleen met zichzelf die vrede te voelen, en als dat gelukt is kan hij weer geleidelijk aan prikkels toe gaan laten uit de zogenaamde wereld, die louter zijn eigen droom is. En dat iedere vorm van reactie gelijk staat met najagen van wind.

Wel beste Elf, dat is wat ik meende te zien daar vlak onder de witte stippen.

De lading die het postduifje met zich meevoert, wordt met grote dankbaarheid in ontvangst genomen. Het elfje met de ganzenveer veert ervan op en op haar gezichtje verschijnt een vrolijke glimlach. Zoals een CIW les zegt:

Vandaag zullen we onze vereniging met elkaar en onze Bron aanvaarden, 

zo wordt er gehoopt dat de pelgrims zich ook weer verenigen in een ontmoeting. Zolang de ene pelgrim zich naar binnen keert, houdt het elfje de wacht.

Tuin 007

 wordt vervolgd…tot NU…

Posted in 170 - Tekenen aan de wand | Leave a comment