Category Archives: 156 – Diepere roerselen

Het Pad van de Pelgrims – Diepere roerselen

Het sprookjesbos ligt in de avond van de dag die door zachte nevels is omfloerst. De zon heeft amper kans gezien om daar doorheen te breken, terwijl ze juist zo graag een zonnestraal had willen laten schijnen op het elfje. Want ze heeft gezien dat het elfje ook omfloerst is door iets, wat moeilijk naam te geven is, maar waar het doorbreken nauwelijks doorheen kan breken. 

Juist als de zon in de avond haar nauwelijks zonnige taak achter de bewolkte horizon laat zinken, schijnt het haar toe dat er lichtjes iets begint te schijnen. Maar ze moet het overlaten aan de invallende schemer die juist om de hoek komt kijken.  

De schemer kijkt toe en ziet in de avondstilte de gestalte van het elfje aan de oever van de beek zitten. In het elfje is, op de plek van haar hart, een zwak schijnsel waarneembaar dat zich een weg naar buiten probeert te banen. Geen geluid is hoorbaar, het bos ademt stilte en de schemer weet dat ook hij straks onhoorbaar zal opgaan in het donker. Tot die tijd omhult hij stilzwijgend alles wat er is en laat het zijn zoals het is.  

Roerloos zit het elfje daar en ook het beekje vertoont geen rimpeling. Hij wacht niet op wat er komen zal of niet zal komen. Het maakt niet uit. Het komt zoals het komt en het gaat zoals het gaat. Daar doet geen rimpeling of vleugelslag iets aan af. Dat het beekje daar is en dat het elfje daar zit is genoeg. Het is zonder taal het teken dat ze op de plek zijn waar ze zijn.

Terwijl de stilte bewegingloos in vrede voortgaat en alles aanraakt op zijn pad, wordt de lichtstraal uit het hart van het elfje krachtiger en schijnt op het beekje die daardoor oplicht. En heel lichtjes ontstaan er woorden die uitgesproken worden zonder ‘uitgesproken’ te willen zijn.  

‘Dag beekje’, zegt het elfje zacht.

Het beekje zegt niets, maar de glinstering van het water zegt genoeg.

‘Ik ben er weer’, gaat het elfje verder.

Het beekje knikt een rimpeling en het moedigt het elfje aan om verder te gaan. 

‘Ik moet je wat vertellen’, klinkt het fluisterend, ‘ik weet het allemaal niet meer en nu lijkt het alsof ik een poosje ben weggeweest. Weet je, beekje, in het sprookjesbos vertoeven en daar zijn gaat eigenlijk als van Zelf. Op deze plek is alles goed en fijn en licht. In mijn eentje op mijn grijze ros, in mijn eentje in het boshutje, zittend aan de oever van het beekje, lijkt alles een natuurlijk verloop te hebben en kan ik volkomen van-Zelf-sprekend het elfje zijn. Maar nu ik mijn intrek heb genomen in mijn baardgrashuisje te midden van de zogenaamde buitenwereld in het sprookjesbos lijkt er ineens een einde te zijn gekomen aan de natuurlijke wereld van het sprookjesbos. Terwijl ik de oneindigheid ervaar in het sprookjesbos dat oneindig is, voelt het alsof ik in die buitenwereld een einde heb bereikt en het spoor bijster ben hoe verder te gaan. In het sprookjesbos kan ik alle kanten uit en in de buitenwereld lijkt het alsof ik niet weet welke kant ik uit zal gaan. Alles is daar zo anders. Er zijn daar zo veel verhalen en voor ik het weet raak ik daar verstrikt  in ‘vind’-ingen, raak ik verzeild op een knopenpad, of ‘denk’beeld ik mij iets in. Een overweldigend gevoel dat ik niets meer weet, maakt zich dan van mij meester en doet mij met slaphangende vleugeltjes verward in het rond kijken. Terwijl ik weet dat ik een elfje ben, lijk ik hier geen elfje te kunnen zijn, omdat ik niet weet hoe ik hier een elfje moet zijn. En dan voel het soms net alsof mijn hartje zich sluit en het zich alleen nog maar in tranen kan luchten’, besluit het elfje met een diepe zucht. 

Het beekje luistert stil en rimpelt begrijpend. Hij heeft haar traantjes al lang gezien en opgevangen en is onverstoorbaar door haar heen blijven stromen. ‘Maar je bent er weer’, murmelt hij zachtjes.  

‘Ja’, knikt het elfje verheugd, ‘ik heb vanmiddag Paulus ontmoet. Eerst hebben we ergens lekker van de appeltaart gesnoept. Maar ik moet je eerlijk zeggen dat het leek, dat ik naast die appeltaart ook nog heel wat meer op zijn bordje heb neergelegd. Als hij niet zou weten dat hij Paulus is, zou hij het daarvan zwaar voor zijn kiezen krijgen. Daarna hebben we een wandeling door het kabouterbos gemaakt. Daar liep het pad omhoog, maar daar had ik niet zoveel oog voor. Ik was nog druk doende om, zoals het leek, Paulus van alles voor de voeten te gooien. En als hij niet zou weten dat hij Paulus is, zou hij daar vast en zeker over gestruikeld zijn. Weet je, beekje, zoiets kan ik ook alleen maar doen omdat Paulus als ÉÉN-ige weet dat wij in Liefde elkaars onpersoonlijke ‘trusty friend’ zijn. Maar al gaande door de buitenlucht, waar ik mijn hartje kon luchten, voelde ik dat de binnenlucht ook begon op te knappen. Ik voel dat mijn hartje zich weer heeft geopend en dat ik weer oog heb voor het pad dat omhoog loopt’, zo besluit het elfje nu met een opgeluchte zucht. 

De schemer heeft het inmiddels aan het donker overgelaten om de laatste woorden van het elfje op te vangen. En het donker ziet dat de lichtstraal uit het hart van het elfje zo’n helder licht begint te weerspiegelen op het beekje dat hij oeverloos begint te glinsteren.

‘En weet je wat Paulus mij later nog via een postduifje heeft laten weten?’, vervolgt het elfje. Het beekje is nu vol ongerimpelde aandacht om de woorden die komen tot op de bodem van zijn bestaan op te nemen. Terwijl de vleugeltjes van het elfje zich beginnen te spreiden, zegt ze: ‘Als je gewoon het leven ervaart, volg je het pad van je eigen vreugde’. En in de stilte die volgt op de woorden hoort het elfje hoe het beekje antwoordt met het zachte kabbelende geluid van vreugdevol genieten. 

‘Het pad van vreugde ontstaat door te laten horen, zien en voelen waar de ziel van zingt en datgene waarin de ziel misschien niet het hoogste lied laat horen, gewoon te ervaren als de melodie van het leven’, voegt het elfje er opgewekt met blije oogjes aan toe.  

‘Lief beekje’, gaat het elfje verder, ‘ik wil niets liever dan al spelend de snaren van de zonneharp beroeren om te laten zien, horen en voelen waar mijn ziel van zingt, om zo te kunnen stralen in de wereld die dat nodig heeft. En als ik jou vertel waar mijn ziel van zingt, neem jij mijn lied dan mee in de stroom? Dan zijn we als vloeibare Liefde op weg naar de oceaan’. 

Het beekje heeft niet alleen gezien en geweten dat het elfje weer op haar plek zit, maar heeft het nu ook gehoord, want anders zou het elfje niet kunnen vertellen wat ze hem nu verteld heeft. 

Het elfje zwijgt en luistert in het donker naar het rustige kabbelen van het beekje. In de verte hoort ze het zachte geruis van de oceaan en ze verlangt om verder te gaan. En de tijdloosheid die een rol speelt in de tijd ziet dat de tijd aangebroken is voor een zonnige nieuwe dag.

DSC_4751

wordt vervolgd…tot NU…

 

Posted in 156 - Diepere roerselen | Leave a comment