Category Archives: 146 – Schuilplaats des Allerhoogsten

Het Pad van de Pelgrims – Schuilplaats des Allerhoogsten

Aan de oever zit het elfje naar het beekje te kijken. Langzaam stroomt het water aan haar voorbij. De zon schijnt op het water en een zachte windvlaag doet het oppervlak voor een moment rimpelen. Eigenlijk is het beekje altijd in beweging en verandert constant. Zo bekeken heeft het nooit dezelfde vorm en is het in wezen vormloos, net zoals het elfje in essentie ook vormloos is.

Na deze mijmering staat het elfje op en zegt: Dag Bosbeekje, ik ga je vandaag volgen…

Veluwe augustus 2013 016en dat voelt Groen Gelukkig…

Dit voornemen doet het beekje volop glinsteren en het is alsof de stem van de medepelgrim uit de diepte klinkt: Laten we dan het oranje pad van M.E. en C.B.Z. maar weer oppakken en als het ware recht door zee het Licht volgen. Dat ongekende Vrede op u nederdale.

Het is aan het begin van de middag als het elfje een rondje rondom ‘Jan Jerfaas en Tetty’ gaat lopen. (139-De M.E.’ers) Het is nog niet zo lang geleden dat de twee vrienden een bruin/groen aarde-tapijt aan hun voeten hadden liggen. Het elfje ziet nu dat ze in vruchtbare grond staan, want inmiddels staan ze tot aan hun knieën in het hoog opgeschoten maïs. En dromerig als ze is weet het elfje dat als je door een weelderig groen maïsveld loopt, dit staat voor geluk en echte vrienden.

Rondje Jan Jerfaas en Tetty 011Zoals de, door het stromend beekje gewenste, ongekende Vrede op haar neerdaalt, zo daalt even later ook de stromende regen op haar neer. Ze ruikt de frisheid van deze zomerse regenbui, die de zwaarte van de warmte doet optrekken. Wat een verfrissend gebeuren. De natuur klaart ervan op, evenals de wattigheid in haar bolletje. Alles wordt weer helder, evenals haar vertroebelde blikveld. Het elfje ziet dat het pad ook al vrucht begint te dragen, dat is een goed teken, en hier en daar kan ze al een paar bramen snoepen.  

Als het elfje aan het eind van haar rondje is gekomen, maar weet dat aan alles geen eind komt, loopt ze verder richting de plek bij de zuivere bron. Het elfje komt bij de verharde weg, maar zoals het beekje als het ware recht door zee gaat, zo besluit het elfje nu recht door het bos te gaan. Voor haar uit loopt een smal pad wat ze nog nooit eerder heeft gelopen en waarvan ze ook niet weet waar het uit zal komen. Al gauw merkt ze dat het pad een paadje wordt, omdat het zelden of nooit door voeten wordt betreden en de begroeiing vrij spel heeft. Het paadje is van een ongerepte natuurlijke schoonheid en het elfje voelt zich wederom als Djaiana die in het boek ‘Het woud der inwijding’ van Marcel Messing het dichte woud gaat betreden. 

Haar parapluutje blijkt daarbij een behulpzaam middel bij het banen van de weg en het doorstaat dapper alle doornige prikkels die de takken van de braamstruiken uitdelen. Eén keer slaat de twijfel toe of ze toch wel dit paadje moet blijven volgen, en het ‘of zal ze teruggaan?’ doet haar blik achterom kijken. Maar nee, het beekje gaat ook recht door zee en ze weet dat ze vooruit moet. Dan stuit het elfje op een klein meertje dat de regen op het pad heeft achtergelaten. Voorzichtig zet ze haar voetjes bij het omzeilen daarvan neer en het lukt om niet in het moerassige weg te zakken. Uiteindelijk komt ze aan het eind van het paadje uit op een breed pad, waarvan ze weet dat het rechts naar haar boshut zal leiden. Nog even kijkt ze naar links, en wat ziet ze daar? Het pad leidt licht omhoog. Ja, natuurlijk leidt het pad ‘licht’ ‘omhoog’, denkt het elfje. Het beekje heeft vanmorgen al gesproken over het pad oppakken en het licht volgen.  

In de verte, aan het eind van het pad, ziet ze iets waar ze onweerstaanbaar naar toe getrokken wordt. Dichterbij komend roept het opnieuw een beeld uit ‘Het woud der inwijding’ in haar op. Zoals Tetty het in haar beleving ziet, leidt het pad namelijk naar de, zelfs voor de ogen, zichtbare hut van Anananda, waarover ze leest in dat boek. Maar ook ‘De Schuilplaats des Allerhoogsten’ komt in haar op. En ze weet nu al dat er ook iemand is, namelijk de Goed Heilig Man, die het zal kunnen herkennen als: ‘Op de heuvel aan de bosrand was een ronde kiosk geplaatst, met een puntdakje, en de kiosk was aan alle kanten open, zodat de windvlagen van alle kanten toegang hebben.’(58 – De kiosk)

Warnsborn juli 2013 016Terwijl ze het pad loopt, weet ze dat ze bij leven en welzijn, zo de Here wil, dit pad ook met Jan Jerfaas gaat lopen. Nu zet ze zich daar voor een poos neer en slaat het oranje boek open.

In gezelschap van M.E. en C.B.Z. die haar, nadat ze het ‘wonder van bewustzijn’ en ‘God-Schepper’ op de ‘repeat’ heeft, vertellen over het ontvangen van het geschapen bestaan en innerlijke processen.

Het wonder van bewustzijn.

Voorbij de waarneming en het daaraan gekoppelde denken, beide slechts fysieke processen, is er het wonder dat iets tot ‘zijn’ geraakt in bewustzijn. Deze levende beleving, daar kijken we de hele dag overheen, omdat het zo normaal lijkt. Het onverklaarbare en wonderbaarlijke ervan, moet ooit tenminste éénmaal gezien worden. Dan is bewustzijn geen automatisme meer, maar een zijnswijze.

God-schepper.

Het tot werkelijkheid geraken van dingen in bewustzijn noemt M.E. het ‘scheppen’ van dingen door God. Het is het tot ‘zijn’ brengen van de dingen in mijn binnenste.

Het geschapen bestaan ontvangen.

Het leven is een aaneenschakeling van ‘het ontvangen van het geschapen bestaan’. De wereld wordt voordurend ‘gemaakt’ in bewustzijn. Nu, elk moment tot aanzijn gebracht. God vult als schepper het bewustzijn continu met het bestaan. Hij ‘giet zich uit’ in zijn schepselen als het ‘zijn’. De voortdurende schepping noemt M.E. ‘uitstromen’ of ‘naar buiten treden’.

Innerlijke processen.

In het binnenste en in het hoogste van de ziel schept God de hele wereld. De Godheid is de oorzaak van het Zijn, en daarmee van alles, en daarover is niets te weten te komen. Het is in mijn innerlijk, waar de bron is en waar het zijn, alle besef en bewustzijn uit voortkomt.

Geruime tijd laat ze deze woorden op zich inwerken. Zo wordt de plek ingewijd in afwachting van de komst van de pelgrims die daar ‘Het woud der inwijding’ ongetwijfeld ook zullen openslaan om van daaruit de woorden in ontvangst te nemen die hen ook begeleiden op De Route.

Zo komt het elfje aan het eind van de middag terug op het terras van haar boshutje, waar ze met haar vingertjes wijzend naar haar lichtschriftje dit alles aan het beekje schrijft. Zodat het hem mogelijk niet langer zal ontbreken aan stuwkracht van eventueel geplengde tranen. En mocht ze zelf een keer geen gebrek aan tranen hebben, dan weet ze dat het er nooit toe zal leiden dat er meer beekjes zullen ontstaan in het sprookjesbos. Omdat er voor het elfje maar één beekje is en er maar één beekje kan Zijn. En de Bosbeek volgend, ziet ze dat niet alleen zij, maar ook hij, omringd is door Groen Geluk.

Veluwe augustus 2013 017Dag Bosbeekje, stroom maar zacht de avond en nacht in. Ik zie dat je er gelukkig weer lustig op los kabbelt, misschien ook door het vooruitzicht op morgen, en anders zijn er morgen mogelijk wat regendruppels die daar een bijdrage aan kunnen leveren. Want regen of zonneschijn, wat zal ons weerhouden om, desnoods onder moeders paraplu, op weg te gaan naar de hut van Anananda, waar de pelgrims zelfs bij regen kunnen schuilen in de Schuilplaats des Allerhoogsten.

11-9-6-12

Terwijl het beekje in alle rust de dag uitstroomt, stromen er in het hoofd van Paulus nog vele gedachten over de onlangs gehouden pelgrimsdag waar gesproken werd over ‘gedachten, het zelf en Zelf en zo ongeveer datgene wat er buiten de zintuigen om in het bewustzijn kan verschijnen. Het is toch een kwestie van definities, en de ‘mind’ is zo slim. Wellicht is het goed om de verstrekte definities samen goed te bespreken, en hoe dat te verwoorden. Uiteindelijk is dat de spil van de hele spiritualiteit; het denken of het ontbreken ervan, de overtuigingen die er zijn of dienen te verdwijnen, en overtuigingen die wenselijk kunnen zijn. De hele interactie tussen mensen speelt zich daar in feite af, in dat zintuigloze gebied, en wanneer de lichamen middels de zintuigen mee gaan doen is dat van een andere orde. En in het tussengebied is er de ‘mind’, is dat gewoon een bundel gedachten? Naarmate de onpersoonlijking vordert zal alles in een helderder licht komen, neemt hij aan. En met deze constatering schud hij de gedachten van zich af. De torenklok slaat middernacht.

Maar de stilte in zijn hoofd is bedrieglijk, want de nachtelijke stilte bedient hem nog van Self service. Beeldend bedenkt hij zich dat het zelfbedienings-elfje meestal blijk geeft van een ongehoord rijk en gevariëerd aanbod van woordprodukten. Het lijkt alsof er dan een inspiratiebron aangeboord is en  de woorden en zinnen spuiten op niet mis te verstane wijze het universum in. Daar komt bij dat de inhoud van de teksten van onbetaalbare wijsheid is en derhalve hoeft er bij de kassa niets betaald te worden. Dus alles is ‘for free’ en bovendien gaat het allemaal van zelf – naar zelf – want er is maar één zelf. We are one…nou, er is een uitzondering…she’s double one, the one and only Fairy. Maar ook zij is een onderdeel, nee…een bovendeel van het Zelf. Nee…ook dat niet, zij is het hart van het Zelf. Dus, morgen zal Paulus met snelle harteklop zich melden bij de Elf. En nu wenst hij zichzelf, of wenst zijn Zelf hem…ach, laat ook maar…een Fairy Good Night.

Warnsborn juli 2013 006 - kopie 

wordt vervolgd…tot NU…

Posted in 146 - Schuilplaats des Allerhoogsten | Leave a comment