Category Archives: 110 – Niemandsland

Het Pad van de Pelgrims – Niemandsland

Het begin van de dag kleurt blauw als JJ het werkboek van de CIW ‘doet’.

Niets wat ik zie betekent iets.

Ik heb wat ik zie alle betekenis gegeven die het voor mij heeft.

Ik begrijp niets van wat ik zie.

Deze gedachten hebben geen enkele betekenis.

Ik ben nooit van streek om de reden die ik denk.

(Wd1.h1.51:1-5)

Eigenlijk eenvoudige zinnen, maar met een ongelooflijke diepgang. Terwijl hij deze les doorneemt, ziet hij ineens heel duidelijk een beeld voor zich van Jerfaas, als een bewoner van een soort niemandsland.

Hij staat op een grote vlakte en aan de ene kant ligt de illusoire wereld van menselijke gedachten en aan de andere kant de werkelijke wereld van Gods gedachten. Hij staat er tussenin, kijkt merendeels in de richting van de menselijk gedachten, ziet ze van een afstand, en hoeft ze eigenlijk ook niet meer. De andere kant ziet hij niet, voelt wel dat ze er is, uit een ooghoek vangt hij af en toe een glimp op, maar hij heeft een zekere angst om zich helemaal om te keren.

Terwijl op het TV scherm wordt meegekeken klinkt het: JJ, het gaat niet om omkeren, het gaat om integreren. Wat is jouw angst? 

Ja, daar zeg je wat, ik weet het niet. Er is angst die eigenlijk niet concreet is. Jerfaas ziet angstige gedachten voorbijkomen en de jantjes reageren daar weer op, net als het lichaam. Op het nivo van de jantjes is alle angst gebaseerd op bedreiging van het lichaam of andere lichamen, dan wel personen die weer bestaan uit een lichaam met een verhaal eraan. Dat klinkt dan wel weer heel abstract, maar zo ziet het er voor Jerfaas toch wel uit.

Als voorbeeld, de toch wel lange periode dat het lichaam van Jan een beetje sputtert. Onderzoek toont geen bacterie aan en het bloed wordt tamelijk ‘breed’ onderzocht op heel wat mogelijke afwijkingen die mogelijk op ziektes zouden kunnen wijzen. Dan komen af en toe toch bezorgde gedachten. Stel dat er iets ernstigs aan de hand is, wat dan? Dan is het niet een direct probleem voor Jan, maar meer op een indirecte manier. Wat als Jan niet lang meer leeft, hoe gaan zijn naasten dat oppakken? Met dit soort zaken is het niet eenvoudig om in het Nu te zijn, ook daar kunnen moeilijk te accepteren verschijnselen opdoemen. Het bloedonderzoek en de komende uitslag linken je gedachten toch aan andere soortgelijke zaken. Zoals met een dierbaar familielid die opeens een beetje duizelig was. Bloed even bekijken, dat zou suikerziekte zijn. Maar het was alvleesklierkanker. Twee maanden later was hij dood. Of er een deel van mezelf was afgenomen. Dat soort gedachten zijn moeilijk weg te houden op het niveau van de jantjes.

Als ik het dan dieper bekijk met de CIW…Jezus zegt daarin dat alle angst terug te brengen is tot de afscheiding van God. Bij de afscheiding is een sterk schuldgevoel ontstaan, wat zich uit in angst in allerlei vormen. Ten eerste angst voor God en ten tweede angst voor het lichaam waar men zich mee identificeert. En dat kan men dan uitbreiden tot alles waar men een ‘speciale relatie’ mee heeft. Dat is eigenlijk alles wat (hoe weinig dan ook) meer van mij is dan van een ander. Dus vrijwel alles wat er gebeurt en wat men niet wenst, betekent verlies. Maar…het verwijst naar iets anders. Uiteindelijk is de oorzaak altijd de afscheiding met God. Het denkbeeldige verbreken van de Eenheid. En de daarbij ontstane ‘waarneming’ die volledig illusoir is, maar in deze wereld als het zien van de realiteit wordt beschouwd.

Ik begrijp jouw angst en het lijkt alsof jij je pas kunt ‘omkeren’ als jij geen angst meer zou hebben. Maar wat zou er gebeuren als jij je met die angst ‘omkeert’?

De vraag blijft hangen in het luchtledige niemandsland en wacht op een antwoord dat niet komt.

wordt vervolgd…tot NU…

Posted in 110 - Niemandsland | Leave a comment