Monthly Archives: januari 2020

Het Pad van de Pelgrims – Alle treden van de trap

Veluwe augustus 2013 004Het donker van de grot maakt dat dag en nacht geen rol meer spelen en in elkaar opgaan. De grotkabouter weet niet of hij nu een nachtwake of een dagwake houdt, maar al mijmerend over het uitstapje van de andere pelgrim, waarin voor haar geestesoog een grot en steile trappen verschenen, bezint hij zich met voortschrijdend pelgrimsinzicht op ‘alle treden van de trap zijn onmisbaar’. Een aflevering van het ‘sprookje’ van de pelgrims welt in hem op.

Daar gaan zij, de twee pelgrims, langs het soms smalle pad omhoog. Waar het moeilijk begaanbaar is, gaan zij hand in hand. Soms overleggen zij hoe verder te gaan en staan zij even oog in oog, om dan weer verder te gaan, schouder aan schouder of arm in arm. Af en toe komt er weer een versmalling in het pad en gaan zij even niet zij aan zij. Of het pad is stoffig, hun zicht wordt wat belemmerd, en gaan zij voetje voor voetje. Maar altijd gaan zij verder, stap voor stap, dat is het pad van iedere pelgrim altijd al geweest.

Velen gingen die twee voor, zij kwamen van overal, uit alle tijden en van alle plaatsen. Zij aanbaden vele Goden en volgden Jezus, Boeddha en Mohammed. En dat gebeurde in kerken, tempels en moskeeën. Gaandeweg leerden zij dat het pad eigenlijk in zichzelf gegaan wordt, wat zij buiten zich zien is binnen in hen. Door de tijd heen zijn ook velen uit lees- en studiegroepen van de Cursus gekomen. Sommigen waren daar een zogenaamde leraar of juist niet, maar ze steunden elkaar om de woorden van Jezus te verstaan. En gezien hun geringe bewustzijn was het ego er altijd wel bij.

Die woorden van Jezus in de Cursus zijn niet altijd te begrijpen, en soms heel moeilijk, wanneer de diepste kern van hun toestand wordt uitgelegd. Over de onbewuste schuld, heel diep verborgen, maar de Werkelijke oorzaak van het ‘menszijn’ en van het hele universum. Deze schuld die dus deze hele wereld met al die ‘anderen’, al die narigheid en al die verschillen, ook tussen de pelgrims onderling, veroorzaakt, zal verdwijnen wanneer die gelegd wordt op het Altaar van vergeving, door Jezus himself geplaatst aan het einde van het pad. Iedere mening over een broeder is zelfbespiegeling, ze worden gezien en worden vergeven. Bij het Altaar zijn de meningen uitverkocht, het oordeel-magazijn is leeg en ze worden niet meer aangevoerd.

Zo gaan de twee pelgrims verder en verder, hun blik gericht naar omhoog, waar louter Liefde en Vrede heerst. Waar de Ene Werkelijkheid is. Soms blikken ze even achterom, naar het dal van illusie vanwaar zij kwamen. Daar waar broeders zijn in kerken en cursusgroepen, net als zij destijds. Ook zij worden gedreven door iets in henzelf om de eerste stappen te zetten en in des pelgrims voetsporen te treden, gelijk zij op hun beurt weer deden in die van anderen. Allen op weg naar de Poort in Zichzelf. Er is maar één pelgrim en er is maar één weg. Er is alleen Liefde, er is niemand anders en al het andere is illusie.

Wanneer dromen voorbij zijn, de tijd de deur gesloten heeft achter alle dingen die voorbijgaan en wonderen doelloos zijn geworden, zal de heilige Zoon van God geen reizen meer maken. Er zal geen wens meer bestaan om liever illusie dan de waarheid te zijn. En hierheen gaan we voort, wanneer we vorderen langs de weg die de waarheid ons wijst. Dit is onze laatste reis die wij voor iedereen maken. We mogen de weg niet kwijtraken. Want zoals de waarheid ons voorgaat, zo gaat ze onze broeders die ons volgen voor.(W.d1.155.11:1-6)

Ter bezinning dansen nog meer blauwe letters als een teken aan de wand voor de ogen van hij, alias Paulus Jan, die tijdelijk in de grot verkeert.

God is in alles wat ik zie.

Achter elk beeld dat ik heb gevormd, blijft de waarheid onveranderd. Achter elke sluier die ik neergelaten heb over het gelaat van de liefde, blijft het licht daarvan ongetemperd. Achter al mijn waanzinnige wensen ligt mijn wil, verenigd met de Wil van mijn Vader. God is nog altijd en voorgoed overal en in alles. En wij die deel zijn van Hem, zullen uiteindelijk voorbijzien aan alle verschijningsvormen en de waarheid herkennen achter elk.(W.d1.h1.56.4:1-6) 

Inderdaad zijn het geweldige teksten in de CIW waarmee de pelgrims zich dagelijks voeden. Enerzijds symbolisch en dus sprookjesachtig, anderzijds zijn ze wonder.baarlijk want ze keren de zogenaamde werkelijkheid om naar illusie en omgekeerd. Ze plaatsen bij iedere pelgrim een bril op de neus, en niet zomaar een bril met dubbelfocus of varilux of wat dan ook. Nee, dit is een bril met lenzen die zichzelf steeds bijstellen, een soort zoomlenzen die reageren op Liefde en Vrede, de pelgrims-hartstochten waar zij naar hunkeren, hongeren en haasten. Bovendien zijn die lenzen zowel naar buiten als naar binnen gericht, ze zien buiten wat ze binnen zien en omgekeerd. Dat is het Wonder.

Het is alsof het advies van de Keuzemaker (154-Het Vredespaleis) binnenkomt om alleen te blijven kijken naar wat gebeurt en wel met een bril van Liefde. Dat lijkt het enige wat zogenaamd ‘te doen’ is, wel of niet kiezen voor Liefde.

Voor het geestesoog van Paulus Jan verschijnen aan de wand van de grot de omgekeerde bloembakken die de andere pelgrim ooit te zien kreeg.(117-Op-z’n-kop waarneming)

Een beeld om je bewust te maken dat het slechts projectie is en dat daarin de keus ligt. Door te zien dat het om projectie gaat, word je bewust gemaakt van de keus die je hebt. Zoals eerder genoemd: kijk ik vanuit liefde of kijk ik vanuit angst? Deze omslag in waarnemeing kan in een flits gebeuren.

Ook al is het donker in de grot, de duistere schaduwzijde van het bestaan tekent zich scherp af op de grotwanden, in de vorm van projecties en beeldvorming van het aardse materiële leven. Ze trekken zijn aandacht, maar hij realiseert zich dat zij niet de absolute werkelijkheid zijn. Hij waakt ervoor de vergissing te begaan om zich daarmee te identificeren. Hij gaat eraan voorbij. Voorwaarts en lichtwaarts. Zichzelf openstellend voor een wijsheid die groter is dan hemzelf.

Omdat de CIW ook een pelgrimsweg is, leidt de Cursus naar het Licht, de verlichting waar ieder-EEN naar snakt. De lessen fungeren daarbij als wegwijzers. Het laatste deel van het werkboek gaat over het naderen van de einde van het pad, het ontmoeten van het Licht en het verdwijnen daarin.

Voor de ene pelgrim is het een mirakel dat de andere pelgrim in de bijna af-gelopen tijd de schoonheid en diepe betekenis van de Routeplanner uit Nazareth zo heeft leren verstaan en waarderen. Hij prijst zich zeer gelukkig met deze metgezel die zowel Elf als Engel voor hem is en die hij ooit de titel ‘Elfel’ heeft gegeven.

Zeker zullen zij elkaar in dit leven zonder woorden leren verstaan, want de woorden zijn slechts hulpmiddelen voor onbewusten die de Stilte nog niet horen. Want de Stilte zal steeds meer gaan spreken. Nu nog in elfentaal, dan in elfeltaal, maar daarna in onuitgesproken engelentaal. De taal van Eenheid, de taal die zich nooit tot een ander richt, maar altijd tot zichZelf. Het is een Wonder boven Wonder, in het sprookjesbos zegt men: ‘Beregoed’.

wordt vervolgd…tot NU…

Posted in 171 - Alle treden van de trap | Leave a comment

Het Pad van de Pelgrims – Tekenen aan de wand

De postduif vliegt onvermoeid heen en weer. Ditmaal met een gerust bericht dat bij Paulus de rust in de ‘bovenkamer’ is weergekeerd en dat hij zonder draaiend hoofd zijn draai weer heeft gevonden. Als Paulus nog even een schrede achterwaarts doet naar de boodschap vol wijsheid die hij kreeg, waarin als een boemerang zijn eigen woorden weerkaatsten, dan kan gezegd worden:

Het is inderdaad een leerzame les en er kwamen ook inderdaad tijdens de piek des onbehagens bepaalde gedachten voorbij die als het ware vroegen: En hoe staat de identificatie met het lichaam er nu bij? En let eens op wat voor gedachten er verder nog komen? Laat het kaboutertje zichzelf hier antwoord geven: Het ging redelijk, maar er is nog geen goddelijke gelijkmoedigheid. Het leerproces is nog gaande, maar Jerfaas is er altijd bij, en de jantjes lijken inderdaad kleiner te worden en weer terug te vallen in de rol van de kinderjaren.

Voor de rest taal nog teken van de ene pelgrim. Heeft hij tijdens de pelgrimsreis de pauzeknop ingedrukt? Zit hij nog steeds in zijn bovenkamer? Wat tekent zich nog meer af in het genoemde leerproces? Het elfje wacht voor onbepaalde tijd aan de oever van de vriend-elijke beek of er iets langsdrijft of overdrijft. Na enige tijd krijgt ze gezelschap van degene die door Paulus wel Kees Koer.ierDuif genoemd wordt en wordt haar een inkijkje overgebriefd.

Ik heb zojuist nog met mijn snaveltje op het raam van het bovenkamertje in de paddenstoel getikt om te vragen of er een berichtje weg te brengen is, maar Paulus en zijn alter-ego JJ reageren niet. Daarom breng ik zelf maar even een briefje, lief Elfje.

Die Paulus zit bijna alleen maar in zijn bovenkamer en wat hij precies doet, kan ik niet zien. Terwijl ik voor het raam zat, zag ik dat de gordijnen gesloten waren, maar door een plotselinge lichtstraal kon ik door een kier naar binnen kijken en zag ik hem. Hij stond bij de muur waar een groot stuk papier hing waarop hij dingen tekende. Je zou kunnen zeggen… ‘tekenen aan de wand’.

Ik zag een voorstelling van een deel van het pelgrimspad. Het liep langs een bergwand en een deel van het smalle pad was weggezakt zodat hij daar niet verder kon. Er was nog een mogelijkheid om verder te komen en dat was ook de Enige mogelijkheid. Ietsje voor de plek waar het pad verdwenen was, bevindt zich een grot met een kleine opening. Dat is de toegang tot een heel stelsel van grotten die een soort tunnel vormen. De uitgang is een stuk verder op het pelgrimspad, daar waar het weer begaanbaar is en ook nog eens heel gemakkelijk te gaan is, want er zijn vrijwel geen obstakels meer.

Als ik het nu goed gezien heb, Elfje, dan is hij de grot binnengegaan. Het is daar heel erg stil en er is niemand anders, er is er maar één. Ook dient hij diep te buigen, zich heel klein te maken, anders blijft hij steken. Hij hoort niemand anders, alleen zijn eigen voetstappen en zijn eigen ademhaling, alleen zichzelf. Alleen zijn gedachten vergezellen hem, ze zijn nu duidelijker te zien omdat er verder niets te zien is. De ogen zien niets in het duister, niets om goed te keuren en niets om af te keuren, voor de oren geldt hetzelfde. Hij is alleen met zichzelf. Hij is, en verder is er alleen stilte.

De rotswanden zwijgen, hoewel ze soms een echo geven van de voetstappen van de ene pelgrim. Dat geeft de illusie van een andere plaats en tijd waar iemand loopt. Maar er is geen ander. Het klinkt vervormd, het is niet echt. Maar hij weet dat de tunnel een einde heeft, dat ergens het licht zich zal manifesteren.

Het lijkt erop dat hij nog wel even bezig is daar in de stilte, vermoedelijk moet hij zich de stilte zo eigen maken dat hij die ook blijft horen wanneer hij het pad buiten weer betreedt. Opdat hij niet alleen deze grot, maar ook die van Plato, voorgoed mag verlaten.

Ja, als ik het goed gehoord heb, meende ik hem te horen mompelen over de grot van Plato. Dat is een bekende metafoor. Plato beschrijft mensen die in een grot zitten. Ze zitten vastgeketend op hun plek en kunnen alleen maar kijken naar de achterwand van de grot, waar ze schimmen zien bewegen. Ze zijn van mening dat die schimmen de echte wereld zijn. Maar één persoon ontdekt dat de schimmen op de wand ontstaan doordat er licht schijnt op figuren die vóór de opening van de grot in de zon langslopen en zo hun schaduwen werpen. Deze persoon wijst dat daarbuiten de echte wereld is. Maar niemend wil hem geloven. Iedereen blijft kijken naar wat hij al jaren gewend is. Deze metafoor beschrijft de menselijke situatie: we dromen en weigeren te ontwaken. Dit leven is een droom, een afschaduwing van het echte leven.

Hij hoopt dus de grot van Plato te verlaten. En dat hij honderd procent verantwoordelijkheid kan nemen voor alles wat in de gewone wereld lijkt te gebeuren. Zodat alles, maar dan ook alles wat hem ook maar in het minst beroert, door de uitlatingen, toestand of wat voor hoedanigheid dan ook en van wie dan ook, louter en alleen in hemzelf zijn oorsprong vindt.

Daarom loopt hij nu in het duister, om eerst alleen met zichzelf die vrede te voelen, en als dat gelukt is kan hij weer geleidelijk aan prikkels toe gaan laten uit de zogenaamde wereld, die louter zijn eigen droom is. En dat iedere vorm van reactie gelijk staat met najagen van wind.

Wel beste Elf, dat is wat ik meende te zien daar vlak onder de witte stippen.

De lading die het postduifje met zich meevoert, wordt met grote dankbaarheid in ontvangst genomen. Het elfje met de ganzenveer veert ervan op en op haar gezichtje verschijnt een vrolijke glimlach. Zoals een CIW les zegt:

Vandaag zullen we onze vereniging met elkaar en onze Bron aanvaarden, 

zo wordt er gehoopt dat de pelgrims zich ook weer verenigen in een ontmoeting. Zolang de ene pelgrim zich naar binnen keert, houdt het elfje de wacht.

Tuin 007

 wordt vervolgd…tot NU…

Posted in 170 - Tekenen aan de wand | Leave a comment